Zebrago
← Leren
Documenten, uitrusting en lading3 min

Je lichten, zonder iemand te verblinden

Lichten zijn makkelijke punten op het examen, als je drie afstanden onthoudt: 200, 100 en 50 meter.

In één zin

Je steekt je lichten aan tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en telkens als je niet meer duidelijk tot op ongeveer 200 meter kunt zien.

  1. Wanneer aansteken?

    Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, en zodra je niet meer duidelijk tot op ongeveer 200 meter kunt zien, ook overdag. Vooraan: dimlichten of grootlichten (allebei samen mag). Achteraan: de rode lichten.

  2. Wanneer de grootlichten doven

    Schakel over op dimlicht, onder meer: tijdig bij een tegemoetkomende weggebruiker, en zeker zodra hij met zijn grootlichten laat zien dat hij verblind wordt; op minder dan 50 m achter een voertuig, behalve om in te halen; op een onafgebroken verlichte rijbaan waar je tot ongeveer 100 m ziet.

  3. Mistlichten: voor en achter

    Vooraan: alleen bij mist, sneeuwval of felle regen, in de plaats van de andere lichten of samen ermee. Achteraan, als je wagen ze heeft: verplicht bij mist of sneeuwval die het zicht tot minder dan ongeveer 100 m beperkt, en bij felle regen. In alle andere omstandigheden verboden.

  4. Stilstaan of parkeren: welke lichten?

    's Nachts, of bij minder dan ongeveer 200 m zicht: witte of gele standlichten vooraan, rode achteraan. Binnen de bebouwde kom, evenwijdig met de aslijn, zonder aanhangwagen: één parkeerlicht aan de kant van de aslijn volstaat. Niet verplicht als de openbare verlichting je wagen op ongeveer 100 m zichtbaar maakt.

  5. Noodknipperlichten: niet om te parkeren

    Alle richtingsaanwijzers tegelijk gebruik je alleen om andere weggebruikers te wijzen op een dreigend gevaar voor ongeval, en in de gevallen voorzien voor een defect voertuig en voor schoolvervoer (kinderen stappen in of uit). Niet om in dubbele rij te stoppen.

  6. Claxon en lichtsignalen

    Geluidssignalen: zo kort mogelijk, alleen om een ongeval te voorkomen of, buiten de bebouwde kom, om een bestuurder te waarschuwen dat je hem wilt inhalen. Tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag, behalve bij dreigend gevaar: kort en afwisselend groot- en dimlicht.

  7. Moto's: overdag licht aan

    Motorfietsen en tweewielige bromfietsen rijden bestendig met dimlicht en rood achterlicht aan, ook overdag. Hun grootlicht mag dan niet gebruikt worden. Deze regel geldt voor gemotoriseerde tweewielers, niet voor auto's.

De valkuil: achtermistlicht uit gewoonte

Niet 's nachts bij helder weer, niet bij een beetje regen: het achtermistlicht is alleen voor mist of sneeuwval met minder dan ongeveer 100 m zicht, of voor felle regen.

Onthoud

Minder dan 200 m zicht: lichten aan, ook midden op de dag.

⚡ Flitsquiz

4 examenvragen over dit thema. Foutloos? Dan is de fiche afgerond.

Wat de wegcode zegt