Verkeerslichten: rood, oranje, groen en de rest
Iedereen denkt verkeerslichten te kennen. Het examen vraagt naar knipperend oranjegeel licht, pijlen en rode kruisen.
Rood en vast oranjegeel houden je tegen, groen laat je door. Pijlen, speciale lichten en het oranjegele knipperlicht hebben hun eigen regels.
Volgorde en betekenis
Rood bovenaan, oranjegeel in het midden, groen onderaan. Na groen komt oranjegeel, na oranjegeel rood, na rood groen. Rood: je rijdt de stopstreep niet voorbij, of het licht zelf als er geen stopstreep is. Groen: je mag het licht voorbijrijden.
Vast oranjegeel: je stopt
Ook vast oranjegeel verbiedt je de stopstreep voorbij te rijden. Enige uitzondering: als het aangaat, ben je zo dichtbij dat je niet meer veilig kunt stoppen. Op een kruispunt steek je dan alleen over als je de andere weggebruikers niet in gevaar brengt.
De pijlen
Gekleurde pijl: zelfde betekenis als het licht in die kleur, maar alleen voor de aangeduide richtingen. Bijkomende groene pijl samen met rood of oranjegeel? Dan mag je in die richting verder, als je voorrang verleent aan voetgangers en aan bestuurders die op regelmatige wijze uit andere richtingen komen.
Alleen een groene pijl links
Een naar links gerichte groene pijl, afzonderlijk geplaatst bij het uitrijden van een kruispunt: het tegenliggend verkeer op de rijbaan die je verlaat bij het links afslaan, wordt tegengehouden door een rood licht. Zo kun je het kruispunt vlot ontruimen.
Oranjegeel knipperlicht: voorzichtig
Een oranjegeel knipperlicht betekent dat je mag doorrijden met dubbele voorzichtigheid. Het wijzigt de voorrangsregeling niet. Je ziet het bijvoorbeeld als het driekleurig systeem in zijn geheel niet werkt.
Boven de rijstroken
Rood kruis: verboden richting op die rijstrook, op enkele uitzonderingen na, zoals een prioritair voertuig met een dringende opdracht. Groene pijl naar onder: rijstrook toegelaten. Oranje schuine pijl naar onder: verboden richting, behalve om de rijstrook te verlaten in de richting van de pijl (zelfde uitzonderingen als bij het kruis).
Fietsers, voetgangers, openbaar vervoer
Fietssilhouet: het licht geldt alleen voor fietsers en tweewielige bromfietsen. Voetgangerslicht: rood, verboden de rijbaan op te gaan; groen, toegelaten; knipperend groen, het einde van de toelating komt eraan. Witte balken, cirkels, driehoeken op zwarte achtergrond: lichten voor het geregeld gemeenschappelijk vervoer.
De valkuil: het oranjegele knipperlicht
Verkeerslicht defect en alleen oranjegeel knippert? Dat is geen STOP en het geeft je geen voorrang. De gewone voorrangsregels gelden: de voorrangsborden tellen weer en zonder bord geldt in principe voorrang van rechts.
Vast oranjegeel: stoppen, tenzij dat niet meer veilig kan. Knipperend: voorzichtig, gewone voorrang.
⚡ Flitsquiz
4 examenvragen over dit thema. Foutloos? Dan is de fiche afgerond.
Wat de wegcode zegt
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 61.1, 1° à 3°
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 61.1, 4° et 5°
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 61.1, 6° à 9° (feux pour cyclistes)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 61.2 et 61.3.1 (disposition et succession des feux)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 62 (flèche verte d’évacuation)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 62bis (feux au-dessus des bandes : croix rouge, flèches)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 9.7 (bande d'arrêt d'urgence)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 62ter (feux spéciaux des transports en commun)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 63.1 (feux pour piétons)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 64.1 et 64.3 (feux clignotants)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 6 (hiérarchie : agents > signalisation > règles)
- Code de la route (AR 1er décembre 1975), art. 12.3.1